FAMILIELEDEN
Tjapke Jan Lubbers
Noorddijk 1921 - Delfzijl 2006
x M. Wildeboer
zn v Evert Jan Lubbers (26)
en Trijntje Schoonveld
geb. 19 mei 1921 (om 17:00 uur) te Euvelgunne (Noorddijk) in huis van Evert Jan Lubbers (26) timmerman
(getuigen: Hendrik Poel (33) brugwachter te Noorddijk en Jan van der Molen (35) caféhouder te Noorddijk)
Kinderen uit het huwelijk met M. Wildeboer:
1. E.J. Lubbers
2. T. Lubbers
lagere school Oosterhoogebrug (AI bewerking)
1929 Lagere school Oosterhoogebrug
(8 jaar oud)
Gisteren en eergisteren was het om en nabij de school een drukke beweging. 't Was de bloemententoonstelling met de daaraan verbonden vermakelijkheden, zooals rad van avontuur, het raden van een aantal boonen in een flesch, het raden van het aantal zich in een groote zonnebloem bevindende pitten, dat maar ruim 1700 bedroeg, hetgeen de grooteren, de bloemenkeuring, die de kleineren in beweging bracht.
Het bezoek was, vooral de tweede dag zeer groot, zoodat deze bloemendagen als zeer geslaagd aangemerkt kunnen worden. De heer A. Iwema Bakker, die de prijzen uitreikte, kon de volgende leerlingen gelukkig maken:
Eerste prijs voor Fuchsia's: Sina Wolthuis, Roelof Kranenburg, Johanna Piersma, Jan Bolhuis, Jelte Scholtens, Jan Blauw en Pieter Ganzeveld.
Eerste prijs voor Geraniums: Jan Wolthuis, Jan Medema, Berend Holthuis, Rudolf Cornelis, Jan Holthuis, Jan Blauw en Trijntje van de Wall.
Voor Fuchsia's werd een tweede prijs gewonnen door: Jan Wolthuis, Jan Medema, Reinje Nienhuls, David Scholtens, Anna Piersma, Jan Klootsema en Jan Dijkhuis.
Een derde prijs door: Annie Schenkel, Henny van Bruggen, Berend Holthuis, Jacob Ypey, Auke Kuipers, Roelie Oorburg en Willem van de Wall.
Voor Geraniums werd een tweede prijs gewonnen door: Sina Wolthuis, Hendrik Makken, Tjapke Lubbers, David Scholtens, Anna Piersma, Siert Meijer en Pieter Ganzeveld, een derde prijs door: Klaas Meijer, Henny van Bruggen, Reinje Nienhuis, Hillechien Dijkhuis, Jelte Scholtens, Roelie Oorburg en Willem van de Wall. De namen zijn genoemd in volgorde naar de klassen.
Bij de verloting, aan deze tentoonstelling verbonden, vielen de prijzen, in volgorde naar hare waarde - op de volgende nummers:
288 11 291 193 268 294 157 334 351 204 397 317 126 78 150 398 232 209 372 219 308 346 28 356 275 319 380 266 19 368 313 297 396 13 342 70 381 21 141 190 236 188 201 63 12 31 298 211 330 62 277 272 140.
bron: Nieuwsblad van het Noorden (01 oktober 1929)
1938 Ambachtsschool Groningen
(16 jaar oud)
Heden had de diplomeering plaats van de leerlingen der Ambachtsschool te Groningen. Aan de volgende leerlingen kon het diploma worden uitgereikt. Afd. Machine-bankwerken: (...) Afd. Meubelmaken: (...) Afd. Kleermaken: (...) Afd. Schilderen: (...) Afd. Timmeren: L. Auwema, K.W. Bos, J. van Deel, P. van Deel, J. Dijkema. R.W. Frieling, B. Groendijk, J.K. Groeneveld, A. Holsteyn, Tj.J. Lubbers, Joh. Meijer, P. Teune, J. Neef, J.D. Bulk, G. Nijlunsing, B. Oosterbaan, D. Patje, J. Schipma, Joh. D. Sieling, J.W. Steenhuis, L. Ubels, R. Waindrich, H. Weersing, A. Wekema, H. v. Wijk, H.C. v.d. Wal, E. Adema, J. Beere, F. Brink, H. Bronts, A. van Dalen, H. Danhof, J. Doesburg, J.G. Eisses, J. Everts, J. Groeneveld, P. van Hoving, L. Kamphuis, A. Knol, J. Koekoek, E. Kwant, E. Aalders, T. Pentenga, G. Piebersma, R. Postma, K. Reinders, A.A. Roze, F. Schuil, L. Timmermans, K v.d. Veen, H.G. de Vries, R. de Vries, J. Wiegers, A. Wolff, J. Zwaneveld, T. Zijlstra. Afd. Electro-montage: (...)
bron: Nieuwsblad van het Noorden (12 maart 1938)
Hoewel hij, net als zijn vader, werd opgeleid tot timmerman aan de Ambachtsschool in Groningen, waar hij in 1938 afstudeerde, zette hij zijn eerste stappen in het vak meteen daarna.
1945 Bevrijding Groningen
(23 jaar oud)
(AI bewerking)
Over de periode rondom de Tweede Wereldoorlog is er weinig bekend, maar het moet een aangrijpende en avontuurlijke tijd voor hem zijn geweest, gezien zijn leeftijd. Hij had wellicht te maken kunnen krijgen met verschillende omstandigheden, variërend van een eerdere militaire dienst of mobilisatie tot deelname aan de "Arbeidseinsatz" in Duitsland. Het lijkt erop dat hij echter in geen van deze situaties betrokken was. Hoe hij deze periode als jonge man heeft ervaren, blijft gissen.
In de archieven ben ik op zoek gegaan naar zijn keuring voor de militaire dienst. Het lijkt er op dat de datum van keuring en het uitbreken van de wereldbrand in Nederland samenviel. Ik heb niet kunnen vinden van resultaten van een keuring, die waarschijnlijk in het voorjaar van 1940 had moeten plaatsvinden.
Een brief van zijn schoonbroer, Jan Henri Luttje, die op gespannen voet stond met de schoonfamilie en op het punt stond te scheiden van mijn oma, werpt licht op hun relatie. Jan beschrijft de verziekte omgang met hen en vermeldt dat Tjapke een negatieve rol speelde, wat op zijn zenuwen werkte. Of dit slechts Jan's persoonlijke ervaring was of een breder beeld schetste, blijft onbekend.
Jan beschrijft Tjapke als iemand die zich graag manifesteerde in de nabijheid van de Canadese bevrijders en de Binnenlandse Strijdkrachten. Tjapke leek graag te willen laten zien dat hij "één van hen" was, een goed iemand die had bijgedragen aan de bevrijding van Nederland. Specifieke verhalen over zijn betrokkenheid ontbreken. Het is onduidelijk of hij daadwerkelijk een bijdrage heeft geleverd, of dat hij eenvoudigweg een 'meeloper' was die zich liet meeslepen door de positieve sfeer van de bevrijding en zich graag omringde met goede verhalen.
"Tjapke had zich een gevorderde D.K.W. motor van iemand uit Ten Boer toegeëigend, waarop hij verscheidene uren per dag op Euvelgunne heen en weer vloog om op te scheppen of mij (Jan) te pesten. Verder zou hij ±25 pakjes shag achterover hebben gedrukt, van tabak die hij voor de ordedienst moest ophalen. Tjapke werd er met dezelfde gang uitgetrapt, als dat hij er bijgekomen was."
(aldus Jan Henri Luttje in de brief aan zijn familie - 10 juni 1945)
Wat wij niet en wat wij wèl weten
Wat weten wij weinig! Weten wij wel iets zeker? Is dat ooit zóó sterk tot ons doorgedrongen als in deze dagen? Hoe hebben wij ons reeds allerlei dingen voorgesteld, plannen gemaakt en afspraken; We waren al bezig met de indeeling van eigen of anderer vacantie; wij wisten precies (zoo dachten wij) waar wij aan toe of niet aan toe waren; het maatschappelijk leven ging geregeld zijn gang; het verkeer bereikte welhaast een maximum van snelheid en stiptheid; we hadden nóg weer een nieuwere Diesel te wachten, en de post kon niet gauwer en niet regelmatiger. Onze trotsche rivieren - zij mochten ons dan in den strengsten winter ook allerlei last en angst bezorgen - waren overspannen met fiere prachtbruggen; we hoefden nergens meer op te wachten en men stond eigenlijk nergens meer voor. En nù!
Wie denkt nog aan vacantie? Laten we toaar geen vacantie nemen, laten wij blijven werken, dat lijkt momenteel honderdmaal beter! Wie maakt nog een afspraak of durft nog een plan te smeden, al is het nóg zoo eenvoudig of onschuldig?
Hoe zal het maatschappelijk leven toch gaan? Zeker, wij zijn dankbaar, zeer dankbaar voor de raadgevingen en aansporingen, ons in rustig beleid van hooger hand gegeven, en wij willen allen daarnaar luisteren en er gehoor aan geven, maar toch.. Wie vreest niet voor allerlei ernstige ontwrichtingen?
En dan het verkeer! Het was al danig in de war; elken keer werd de gewone dienstregeling verstoord, en juist toen het alles weer normaal zou gaan, was het alles heelemaal weg. Daar ligt nu het mooie, ruime, Groninger hoofdstation, verlaten. Spreek ons heelemaal niet van onze rivieren en van onze bruggen. Het verkeer wordt wel al weer hersteld en er komen transportmogelijkheden, maar hoe lang zal het nog duren voor en aleer het alles weer een beetje gaat lijken op dat, wat er vroeger was!
En dan de verliezen aan menschenlevens! Ik weet wel: wjj kunnen op al de geruchten en becijferingen niet aan, maar de berichten beginnen toch al door te sijpelen. Wat zijn nu alle schade en al die hinder en ontwrichting, vergeleken bij deze Vernietigingen!
Gij hebt stellig hetzelfde gevoel: zelfs al hebben wij persoonlijk, voor zoover wij kunnen weten of nagaan, niemands heengaan te betreuren.... toch hebben wij allen het gevoel en onze zeer sterke sympathie gaat uit naar al die beproefden, of zoo onzekeren.
Wat wéten wij weinig! Weten wij wel iets zeker? En wat zullen of mogen wij daarom nog hopen en bidden? Neen, natuurlijk, wij wanhopen niet den heelen tijd. Maar durven wij ook daar haast wel voor uitkomen en durven wij onze verwachtingen wel onder woorden brengen? Durven wij ze zelfs wel bekend te maken, en ze voor Hem neer te leggen? Wat weten wij weinig. Als een héél groote als de apostel Paulus, voor ons allen op haast elk gebied van het geestelijk leven althans) een eerste-rangs-autoriteit, nu zelf verklaart: "Wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort"; als zóó een dat onomwonden neerschrijft - zou dan een van ons, kleine menschjes, (en dat in deze dagen) dat wèl weten? Wij belijden ronduit onze onkunde, onze onzekerheid. Is er wel iets, wat wij weten, iets waarvan wij nog zeker zijn?
Toch is er iets, wat wij wèl weten, en dat is iets héél groots, dat is zelfs het allergrootste en allergewichtigste. Ik wil u er niet naar laten raden, doch het u dadelijk geheel zeggen, het wordt ons in dezelfde omgeving door dien zelfden Paulus gezegd: "Wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede".
Is dit een schrale troost? Of is dit juist de beste troost? Het zal er nu op aankornen om te gelooven; wij zullen nù aan ons geloof houvast moeten hebben. Als wij nu juist in deze dagen, aan en door ons geloof houvast hebben, dan doen of deden wij beter om met gelooven maar op te houden. Neen, een Christen kijkt verder. Een geloovige ziet naar de toekomst. Een geioovige heeft of krijgt toch weer moed. Een geloovige is iemand, die iets weet, eent die bij alles, wat hij niet weet, en waaromtrent hij dan ook ziJn onwetendheid grif en volmondig erkent, toch één ding wèl weet, dit; dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Laten wij dàt dezer dagen elkander zeggen. Niet al te luid en niet al te hard, maar rustig en... ik zou zeggen: haast biddend.
Pauus maakt geen enkele uitzondering. Dat is nu Juist het mooie en heel sterke van dit woord. Meestal verzwakken bij ons de uitzonderingen weer den regel. Dan is de regel wel goed en duidelijk, maar dan komen er zóó veel voorbehoud en komen er zoveel uitzonderingen, dat die uitzonderingen haast regel beginnen te worden. Hier echter hebben wij nu eens 'n regel zonder ook maar één uitzondering. Alle dingen werken mee ten goede. Al die narigheid, en al die verliezen, en al die onzekerheid, en al die klappen, en al dat verdere niet, ja zelfs niets weten. Alle dingen werken mede ten goede.
Wat dan dat goede is? Dat weten wij nu weer niet. Dat moeten wij ook niet willen weten. Als we dat wisten, zou ons geloof geen geloof meer zijn. Maar er is Eén, die er borg voor staat, dat ons alles ten goede zal medewerken, en die Eene is: God zelf.
Wie met den Heer der Heeren een „vast verbond" heeft gemaakt, een verbond, waarin - zooals een oud Formulier dat uitdrukt - twee partijen begrepen zijn, die gaat vertrouwend door dezen onzekeren tijd heen en aanvaardt in kinderlijke berusting alles wat over hem of haar beschikt wordt. Die wanhoopt niet, die doet ook geen dwaze of onbedachte stappen, die laat zich niet uit het stuur slaan, maar blikt vertrouwend opwaarts tot Hem, die wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan, en die het alles zóó zal maken, „dat g' u verwond'ren moet". Daarom, wat een voorrecht om, bij alles wat wij niet weten en zelfs met geen geweld te weten kunnen komen, dit te weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede!
bron: Nieuwsblad van het Noorden ( 18 mei 1940)
Om te verifiëren wat Jan over Tjapke heeft vermeld, heb ik onderzoek laten doen via het Nationaal Archief om te achterhalen of Tjapke inderdaad "kort onderdeel was geweest van de Binnenlandse Strijdkrachten." De conclusie van deze zoektocht was dat zijn naam niet voorkwam als actief lid van deze groep kameraden.
1951 Te koop: Triumph
(30 jaar oud)
(AI bewerking)
bron: Nieuwsblad van het Noorden (5 jul 1951)
Hij ging (in ??) aan de slag als timmerman op een van de scheepswerven in de omgeving. Hier hield hij zich bezig met de afwerking en betimmering van schepen, een vakmanschap.
1968 Rijksgediplomeerde mobiele hoefsmid
(47 jaar oud)
Toch lag zijn echte passie bij paarden, en met name bij Shetlandpony’s. Uit krantenartikelen uit die tijd blijkt dat zijn naam regelmatig genoemd werd als eigenaar van ponymerries. Deze dieren namen deel aan de centrale stamboekkeuringen in Groningen en Drenthe, georganiseerd door de Noordelijke afdeling van het Nederlandse Shetlandpony Stamboek, eind jaren zestig. Het was een wereld die hem na aan het hart lag.
In dezelfde periode besloot hij zijn liefde voor paarden verder te verdiepen en bekwaamde hij zich als hoefsmid. In 1968 rondde hij deze opleiding succesvol af met het behalen van zijn rijksdiploma.
bron: Nieuwsblad van het Noorden (16 december 1968)
bron: Nieuwsblad van het Noorden (28 mei 1969)
In de jaren 60 werd je als hoefsmid gediplomeerd via een Rijksdiploma Hoefsmid, een examen dat werd afgenomen door het Instituut voor Hoefkunde aan de Veeartsenijkundige Hogeschool in Utrecht, voortbouwend op praktijkervaring bij een dorpssmid en mogelijk een leerlingschap, waarbij de traditionele dorpssmid vaak de basis legde voor het vak, inclusief het 'warm' beslaan in de travalje.
Het Traject in de Jaren '60:
- Leerling bij de Dorpssmid: De meeste aspirant-hoefsmeden begonnen als leerling bij de lokale smederij. De dorpssmid oefende vaak de functie van hoefsmid uit en gaf de praktijkervaring door aan de leerling.
- Praktijkervaring: Je leerde het vak door direct met de paarden te werken: bekappen, hoefijzers maken en beslaan in de 'travalje' (een speciale hoefstal).
- Het Rijksdiploma: Voor de formele erkenning van vakkundigheid was er het examen voor het 'Rijksgediplomeerd Hoefsmid'. Het Instituut in Utrecht: Dit examen werd afgenomen op het Instituut voor Hoefkunde, een onderdeel van de Veeartsenijkundige Hogeschool (nu Universiteit Utrecht).
Belangrijke context:
- Oude Traditie: Hoefsmeden waren vaak onderdeel van de dorpsstructuur, en de functie was nauw verbonden met de landbouw en het leger.
- Evolutie naar Modernisatie: Hoewel de basis traditioneel was, evolueerde het vak. Tegenwoordig is het een MBO-opleiding, maar in de jaren '60 was het meer een ambachtelijke route.
Kortom, je werd gediplomeerd door praktijkervaring op te doen bij een meester-smid en vervolgens te slagen voor het officiële examen in Utrecht voor het Rijksdiploma.
Trix van Lieveren en veulen.
Tosca van Loosduinen en Trix van Lieveren.
(Familiearchief Lubbers - AI bewerking)
Aan het eind van de jaren zestig stond het Instituut voor Hoefkunde in een overgangsperiode. Waar paarden vroeger onmisbaar waren geweest in transport, landbouw en leger, waren ze inmiddels grotendeels vervangen door tractoren, auto’s en machines. De noodzaak om paarden beroepsmatig in topconditie te houden nam daardoor sterk af. Alleen in de paardensport en bij maneges bleef de belangstelling bestaan, wat vanaf de jaren zeventig zelfs weer tot een lichte groei van het aantal paarden leidde.
Rond 1968 werd duidelijk dat de tijd van grootschalige hoefkunde-opleidingen verbonden aan de veeartsenijschool voorbij was. De maatschappelijke rol van het paard was veranderd en daarmee ook de behoefte aan een gespecialiseerd instituut. In dat jaar kwam er een einde aan de functie van het Instituut voor Hoefkunde, dat vanaf 1917 meer dan vijftig jaar het centrum was geweest van onderwijs en kennis over paardenhoeven.
vrij naar Erfgoed Utrecht > verhalen
| jaar | klasse | plaats | naam pony | evt. (vader) en bijzonderheden |
|---|---|---|---|---|
| 1965 jul | merries 4 jr | 3A | Trix van Lieveren | |
| 1967 aug | merrieveulens geb. vòòr 29 apr 1967 | 5 | Carin v Euvelgunne | gestopt en goed veulen. iets fijn in de benen. |
| 1967 okt | oudste merrieveulens | 1 | Carin v Euvelgunne | (Tieme van de Hogehorn) een zeer soortig en diep veulen. |
| 1967 okt | middenklasse pony's | 5 | Belinda van Euvelgunne | |
| 1967 okt | merries 6 jr | 1 | Tosca van Loosduinen | een vlotte typische merrie. |
| 1967 okt | merries 6 jr | 2 | Trix van Lieveren | |
| 1968 okt | merries 7 jr | 2 | Trix van Lieveren | bestgaande. |
| 1968 okt | merries 7 jr | 3 | Tosca van Loosduinen | |
| 1968 okt | merries 6 jr | 3 | Unette van Nijkerk | |
| 1968 okt | oudste entermerries | 1 | Carin v Euvelgunne | (Tieme van de Hogehorn) een fraai gelijnde zwarte Carin. |
| 1968 okt | oudste merrieveulens | 1 | Diana van Euvelgunne | (Ursus van Roden) |
| 1968 okt | jongste merrieveulens | 2 | Dionne van Euvelgunne | (Ursus van Roden) |
| 1969 okt | oudste merrieveulens | 1 | Carin v Euvelgunne | (Ursus van Roden) |
| 1972 sept | merrieveulens | 1 | Rieka | (Suldrup Arve) fraai, typisch goed bewegend. |
Naast zijn werk als hoefsmid en zijn passie voor pony’s runde hij ook zijn eigen bedrijf. Hij was actief als fietsenmaker en handelde in fietsen en bromfietsen, waarmee hij zijn ondernemende kant liet zien.
1968 Fietsenmaker
(47 jaar oud)
| datum | omschrijving |
|---|---|
| 11 sep 1968 | rijdend hoefsmidsbedrijf |
| 16 jun 1970 | wijziging zaakadres en uitbreiding bedrijf |
| 13 okt 1970 | als voren |
| 20 mrt 1972 | wijziging woonadres van gemeente wege |
| 20 mrt 1972 | vestiging filiaal |
| 21 sep 1972 | uitbreiding bedrijf |
| 12 sep 1974 | opheffing filiaal |
| 08 jun 1977 | wijziging adres en woonadres bedrijf |
| 08 jan 1981 | wijziging zaak en woonadres |
| 16 aug 1984 | onderneming opgeheven inschrijving vervallen |
Per 09 sep 1968 is het zaakadres gewijzigd in: OOSTERHOOGEBRUG, (...) (gem. Noorddijk). Het bedrijf is uitgebreid met de winkel in- en de reparatie van rijwielen.
Per 1 mei 1970 is het zaakadres gewijzigd in: OOSTERHOOGEBRUG, Pop Dijkemaweg 6 (gem. Groningen). Het bedrijf is uitgebreid met de winkel in ijzerwaren en gereedschappen.
Per 13 okt 1970 is het woonadres (van gemeentewege) gewijzigd in: Euvelgunne, Euvelgunnerweg 19 (gem. Groningen).
Per 20 mrt 1972 is het woonadres gewijzigd in: Oosterhoogebrug, Pop Dijkemaweg 6 (gem. Groningen).
Per 20 mrt 1972 wordt het filiaal rechtstreeks vanuit de hoofdzetel beheerd.
Per 01 aug 1972 wordt het bedrijf van de hoofdzetel uitgebreid met kleinhandel in bromfietsen (winkel).
Per 01 jan 1974 wordt het filiaal gevestigd te Oosterhoogebrug, (...) opgeheven.
Per 01 feb 1977 is het zaak- en woonadres gewijzigd in: Appingedam, Woldweg 161. De winkel in- en reparatie van rijwielen , bromfietsen is overgedragen aan G. Belga, Groningen. Het bedrijf omvat thans: rijdend hoefsmidsbedrijf en kleinhandel (geen winkel) in ijzerwaren en gereedschappen.
08 jan 1981 is het zaak- en woonadres gewijzigd in: Appingedam, Tolweg 9.
15 aug 1984 is de onderneming opgeheven.
bron: Handelsregister KvK Groningen