ACHTERGRONDEN

De boekhandel van Jan Henri Luttje – moeilijke jaren

Jan Henri Luttje was boekhandelaar in Euvelgunne, destijds onderdeel van de gemeente Noorddijk. Naast zijn boekhandel exploiteerde hij ook een leesbibliotheek, zoals blijkt uit een verklaring van de Voogdijraad in 1947. Zijn onderneming vormde de basis van zijn inkomsten, maar uit de bewaard gebleven rechtbankstukken blijkt dat zijn financiële omstandigheden tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk verslechterden.

Over de werkelijke verdiensten van Jan bestond verschil van mening. In april 1945 stelde zijn echtgenote Jantje Lubbers dat hij als handelaar ongeveer zestig gulden per week verdiende, of in ieder geval in staat was een dergelijk inkomen te verwerven. Jan schetste een heel ander beeld. Volgens een verklaring die zijn advocaat in mei 1945 bij de rechtbank indiende, had hij in 1944 gemiddeld ongeveer 35 gulden per week verdiend. Door de oorlogsomstandigheden zou dit bedrag in 1945 zijn teruggelopen tot ongeveer dertig gulden. Het verschil tussen beide verklaringen is aanzienlijk. Omdat de stukken geen boekhouding of belastingaangiften bevatten, valt niet meer vast te stellen welke bedragen zijn werkelijke inkomsten het dichtst benaderden.

Een bijzonder probleem ontstond tijdens de echtscheidingsprocedure in het voorjaar van 1945. Volgens Jans advocaat had Jantje beslag laten leggen op alle goederen die hem toebehoorden, waaronder zijn handelsvoorraad. Daardoor zou hij zijn beroep als boekhandelaar niet langer kunnen uitoefenen en tijdelijk geheel zonder inkomsten zijn komen te zitten. Het was bovendien niet mogelijk om op krediet een nieuwe voorraad boeken aan te schaffen. Jan verklaarde geen eigen vermogen te bezitten waarmee hij zijn onderneming opnieuw op gang kon brengen.

Daarmee ontstond een moeilijke situatie. De handelsvoorraad die hij nodig had om zijn boekhandel voort te zetten, was door het beslag niet vrij beschikbaar, terwijl hij ook niet over voldoende financiële middelen of kredietmogelijkheden beschikte om vervangende voorraad in te kopen. Volgens zijn eigen voorstelling van zaken was hij daardoor praktisch uitgesloten van het voortzetten van zijn dagelijkse werkzaamheden. Tegelijkertijd had de rechtbank hem in april 1945 verplicht om twintig gulden per week bij te dragen aan het levensonderhoud van zijn echtgenote en hun beide kinderen. Jan verzette zich tegen deze verplichting, omdat hij stelde dat zijn inkomsten daarvoor ontoereikend waren.

Twee jaar later was zijn financiële positie naar eigen zeggen nog altijd weinig rooskleurig. In oktober 1947 diende de Voogdijraad in Groningen een verzoek in om Jan te verplichten wekelijks vijf gulden bij te dragen aan het onderhoud van zijn dochter Trijntje Henriëtte. De Voogdijraad was van mening dat Jan als boekhandelaar en houder van een leesbibliotheek steeds een behoorlijk bestaan had gehad en de gevraagde bijdrage zou moeten kunnen betalen.

Jan bestreed dat beeld. In zijn verweerschrift gaf hij aan dat zijn boekhandel nog slechts ongeveer twaalf gulden per week opleverde. Alleen al aan huishuur betaalde hij vier gulden per week, waardoor van zijn opgegeven inkomsten acht gulden overbleef voor zijn overige levensonderhoud en financiële verplichtingen. Een gemeentelijke verklaring van 6 oktober 1947 bevestigt dat Jan zelf een wekelijks inkomen van twaalf gulden had opgegeven en geen vermogen bezat.

Vooral de omvang van zijn schulden geeft een indruk van de moeilijkheden waarin hij verkeerde. In hetzelfde verweerschrift verstrekte Jan een overzicht van zes openstaande schulden, die samen 2.115 gulden bedroegen. Het grootste bedrag, zeshonderd gulden, was verschuldigd aan de firma Cloetingh in Groningen. Daarnaast stond vierhonderd gulden open bij uitgeverij De Uil in Amsterdam en 425 gulden bij Ons Vrije Nederland in Utrecht. Aan de firma Wildeboer in Meppel was hij 250 gulden verschuldigd, aan de firma Hafkamp in Amsterdam 140 gulden en aan een andere Amsterdamse firma nog eens driehonderd gulden.

De schuldenlijst laat zien dat Jan zakelijke contacten had met ondernemingen in verschillende delen van Nederland. Dat past bij zijn werkzaamheden als boekhandelaar, die voor zijn handelsvoorraad afhankelijk was van leveranciers en uitgevers buiten Groningen. De stukken vermelden niet wanneer de afzonderlijke schulden waren ontstaan of welke leveringen en afspraken eraan ten grondslag lagen. Evenmin blijkt of het uitsluitend zakelijke schulden waren. Hun gezamenlijke omvang was echter aanzienlijk. Bij een opgegeven inkomen van twaalf gulden per week vertegenwoordigde het totaalbedrag meer dan drie jaar aan verdiensten, nog zonder rekening te houden met huur, levensonderhoud en andere uitgaven.

De ernst van zijn financiële problemen blijkt ook uit het feit dat Jan in november 1947 toestemming kreeg om kosteloos te procederen. De rechtbank achtte zijn beperkte financiële middelen voldoende aangetoond om hem van de gebruikelijke proceskosten vrij te stellen.

Op 20 december 1947 besliste de rechtbank uiteindelijk dat Jan niet de gevraagde vijf gulden, maar 3,50 gulden per week voor zijn dochter moest betalen, met terugwerkende kracht vanaf 5 maart van dat jaar. Wanneer zijn eigen inkomensopgave van twaalf gulden per week als uitgangspunt wordt genomen, bleef na betaling van vier gulden huur en 3,50 gulden onderhoudsgeld nog slechts 4,50 gulden over voor alle overige uitgaven. Voor het aflossen van zijn aanzienlijke schulden bestond op die basis nauwelijks financiële ruimte.

De rechtbankdocumenten geven daarmee een beeld van een boekhandelaar die tijdens de oorlog zijn inkomsten zag teruglopen en vervolgens door persoonlijke en juridische omstandigheden in nog grotere financiële problemen terechtkwam. Het beslag op zijn handelsvoorraad, het ontbreken van voldoende vermogen en de onmogelijkheid om nieuwe boeken op krediet te verkrijgen, beperkten volgens zijn eigen verklaringen de mogelijkheden om zijn onderneming voort te zetten.

Hoe Jan zijn schulden uiteindelijk heeft afgewikkeld en of hij erin slaagde zijn boekhandel en leesbibliotheek weer tot een rendabele onderneming te maken, blijkt niet uit dit dossier. Wel maken de stukken duidelijk dat het ondernemerschap hem in deze jaren weinig financiële zekerheid bood. Wat ooit zijn broodwinning was geweest, verkeerde in 1947 in een bijzonder kwetsbare positie.

bron: Groninger Dagblad (04 december 1945)

bron: Groninger Dagblad (18 februari 1946)

bron: Groninger Dagblad (02 juli 1946)

Van uitgeverij tot krantenagent (1939–1946)

De zakelijke activiteiten van Jan Henri Luttje beperkten zich niet tot het verkopen van boeken. Verschillende krantenpublicaties uit de jaren 1939 tot en met 1946 laten zien dat hij zich ook bezighield met uitgeversactiviteiten, het inrichten van bibliotheken en later met de verspreiding van dagbladen. Daarmee ontstaat een breder beeld van zijn ondernemerschap dan alleen uit de rechtbankstukken naar voren komt.

Op 11 december 1939 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een bekendmaking uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in Groningen. Daarin werd het Algemeen Uitgeversbedrijf Bico vermeld, gevestigd aan het Buiten Damsterdiep 124 in Groningen. De onderneming hield zich volgens de inschrijving bezig met de groothandel in boeken, het inrichten van bibliotheken en uitgeversactiviteiten. Jan Henri Luttje stond als eigenaar geregistreerd.

Opvallend is de veelzijdigheid van deze bedrijfsomschrijving. Jan richtte zich kennelijk niet uitsluitend op de verkoop van boeken aan individuele klanten, maar wilde ook bibliotheken van boeken voorzien. Daarnaast bood de geregistreerde uitgeversactiviteit ruimte om zelf publicaties uit te brengen. Of hij daadwerkelijk boeken onder de naam Bico heeft uitgegeven en welke bibliotheken hij eventueel heeft ingericht, is vooralsnog onbekend. De inschrijving toont vooral welke activiteiten hij met zijn onderneming voor ogen had.

In de jaren na de oorlog duikt zijn naam opnieuw op in de kranten, ditmaal in verband met het Groninger Dagblad. Deze krant was na de bevrijding in april 1945 opnieuw verschenen en zocht haar plaats op de regionale krantenmarkt. Op 4 december 1945 plaatste het dagblad een oproep voor bezorgers en bezorgsters in Engelbert, Gideon, Roode Haan en Waterhuizen. Belangstellenden konden zich aanmelden bij J.H. Luttje aan Euvelgunne B 24, of rechtstreeks bij het bureau van de krant.

Hieruit blijkt dat Jan inmiddels een rol vervulde in de organisatie van de krantenbezorging rond Groningen. Zijn werkzaamheden beperkten zich daarmee niet langer tot de boekenwereld. Als plaatselijke contactpersoon hielp hij het dagblad bij het vinden van bezorgers in de dorpen en buurtschappen buiten de stad.

Op 18 februari 1946 verscheen opnieuw een personeelsadvertentie. Ditmaal werd een flinke courantenbezorger gezocht voor Euvelgunne, Winschoterdiep en Waterhuizen. Belangstellenden konden zich aanmelden bij het bureau van het Groninger Dagblad of bij agent Luttje in Euvelgunne. De aanduiding 'agent' maakt duidelijk dat hij een herkenbare functie binnen het distributienetwerk van de krant vervulde.

Enkele maanden later, op 2 juli 1946, werd zijn naam opnieuw vermeld. In een advertentie voor het Groninger Dagblad werden acht plaatsen genoemd: Oosterhoogebrug, Euvelgunne, Roode Haan, Waterhuizen, Gideon, Engelbert, Ruischerbrug en Noorddijk. Voor deze gebieden konden advertenties zonder prijsverhoging worden opgegeven bij J. Hiddingh of bij J.H. Luttje in Euvelgunne.

Deze laatste advertentie is bijzonder interessant, omdat zij laat zien dat Jan niet alleen betrokken was bij het organiseren van de krantenbezorging, maar ook fungeerde als aanspreekpunt voor het aannemen van advertenties. Daarmee had hij een commerciële rol in het regionale netwerk van het dagblad. De krant bood inwoners en ondernemers de mogelijkheid om via plaatselijke contactpersonen advertenties te plaatsen, zonder daarvoor extra te hoeven betalen.

De advertenties werpen ook een ander licht op de financiële problemen die Jan in dezelfde periode ondervond. Uit de rechtbankstukken blijkt dat hij in het voorjaar van 1945 verklaarde zijn boekhandel nauwelijks meer te kunnen uitoefenen, onder andere doordat beslag was gelegd op zijn handelsvoorraad. De krantenadvertenties tonen echter aan dat hij later dat jaar en gedurende 1946 nog zakelijke activiteiten ontplooide.

Mogelijk bood zijn werk voor het Groninger Dagblad een manier om inkomsten te verwerven toen zijn boekenhandel onder druk stond. Dat is een aannemelijke verklaring, maar de documenten geven geen uitsluitsel over de financiële afspraken tussen Jan en de krant. Ook is niet bekend of hij deze werkzaamheden zelfstandig verrichtte, naast zijn uitgeversbedrijf Bico, of dat beide activiteiten op enige manier met elkaar verbonden waren.

Wat de advertenties wel duidelijk maken, is dat Jan zijn zakelijke contacten en werkzaamheden niet volledig had opgegeven. Ondanks de persoonlijke en financiële moeilijkheden waarin hij verkeerde, bleef hij betrokken bij de verspreiding en commerciële dienstverlening rond gedrukte media.

De bewaard gebleven krantenknipsels vormen daarmee een waardevolle aanvulling op zijn levensverhaal. Waar de rechtbankstukken vooral vertellen over schulden, teruglopende inkomsten en beperkingen, laten de advertenties een andere kant zien: die van een ondernemer die ook na de oorlog actief bleef en binnen de wereld van boeken, kranten en uitgeverijen naar mogelijkheden zocht om zijn bestaan voort te zetten.


Bronnen en verantwoording

Dit verhaal is samengesteld aan de hand van historische rechtbankstukken, publicaties uit het Handelsregister en advertenties uit regionale dagbladen. Samen geven deze bronnen inzicht in de zakelijke activiteiten en financiële omstandigheden van Jan Henri Luttje tussen 1939 en 1947.

Geraadpleegde bronnen

  • Arrondissementsrechtbank Groningen, 1945–1947. Echtscheidings- en onderhoudsdossier Jan Henri Luttje en Jantje Lubbers, 23 pagina's. Bevat onder meer verklaringen over zijn inkomsten, handelsvoorraad, schulden en financiële verplichtingen.

  • Nieuwsblad van het Noorden, 11 december 1939. Openbaarmaking uit het Handelsregister inzake de inschrijving van het Algemeen Uitgeversbedrijf Bico, gevestigd aan het Buiten Damsterdiep 124 in Groningen.

  • Groninger Dagblad, 4 december 1945. Advertentie waarin via J.H. Luttje bezorgers en bezorgsters worden gezocht voor Engelbert, Gideon, Roode Haan en Waterhuizen.

  • Groninger Dagblad, 18 februari 1946. Advertentie voor een courantenbezorger in Euvelgunne, Winschoterdiep en Waterhuizen, met J.H. Luttje als plaatselijke agent.

  • Groninger Dagblad, 2 juli 1946. Advertentie over het aannemen van advertenties via plaatselijke contactpersonen, onder wie J.H. Luttje in Euvelgunne.

  • Nieuwe Groninger Encyclopedie, P. Brood, A.H. Huussen en J. van der Kooi (1999), lemma Groninger dagblad. Geraadpleegd voor de historische achtergrond van de krant en haar herverschijning na de bevrijding.

Verantwoording

De rechtbankstukken bevatten verklaringen van verschillende betrokkenen, die niet altijd met elkaar overeenkomen. De genoemde inkomsten en schulden zijn daarom weergegeven als opgaven uit de gerechtelijke procedure en niet als onafhankelijk vastgestelde boekhoudkundige gegevens.

De krantenpublicaties bevestigen de registratie van het uitgeversbedrijf Bico en de betrokkenheid van Jan Henri Luttje bij de verspreiding en advertentiewerving van het Groninger Dagblad. Ze geven echter geen uitsluitsel over de winstgevendheid van zijn onderneming, zijn exacte werkzaamheden of de inkomsten die hij uit de krantenactiviteiten ontving.

Waar een rechtstreeks bewijs ontbreekt, is dat in de tekst aangegeven. De oorspronkelijke krantenknipsels zijn op deze pagina afgebeeld.