FAMILIELEDEN
Jan Jakobs Huizinga (1789–1846)
Van een ontbrekende geboorteakte tot het boerenleven in Oldehove en Ezinge
Soms vertelt een oud document veel meer dan waarvoor het oorspronkelijk werd opgesteld. Een gerechtelijke verklaring die alleen bedoeld was om een huwelijk mogelijk te maken, kan bijvoorbeeld onverwacht informatie opleveren over iemands afkomst, geloof en familie.
Dat is precies wat er gebeurde bij mijn voorvader Jan Jakobs Huizinga, geboren in 1789 in Oldehove. Toen hij in 1817 wilde trouwen, liep hij tegen een probleem aan dat rechtstreeks verband hield met zijn doopsgezinde achtergrond. Hij kon namelijk geen geboorte- of doopakte overleggen.
De gerechtelijke procedure die daarop volgde, leverde een bijzonder document op waarin verschillende familieleden en bekenden zijn afkomst bevestigden.
Ook uit latere krantenpublicaties komt zijn naam naar voren. Ze vertellen iets over zijn betrokkenheid bij een familiekwestie rond een nalatenschap en over een openbare verkoop van goederen op zijn woonadres.
Samen geven deze vondsten een inkijkje in het leven van een Groningse voorouder, in een tijd waarin het traditionele boerenbestaan steeds nadrukkelijker te maken kreeg met nieuwe wetten, administratieve verplichtingen en veranderingen in de samenleving.
Geboren in een doopsgezinde familie
Jan Jakobs Huizinga werd in 1789 geboren in Oldehove, als zoon van landbouwer Jakob Berends Huizinga en Bieuwke Jans.
Zijn familie maakte deel uit van de doopsgezinde gemeenschap, die al verschillende generaties een plaats had binnen de geschiedenis van de Groninger Ommelanden.
Binnen het doopsgezinde geloof werden kinderen niet kort na hun geboorte gedoopt. De doop was een bewuste keuze die op latere leeftijd werd gemaakt. Daardoor ontbreken bij doopsgezinde families vaak de gebruikelijke kinderdoopinschrijvingen die bij genealogisch onderzoek zo waardevol kunnen zijn.
Dat betekende overigens niet dat geboorten nooit werden geregistreerd. Sommige doopsgezinde gemeenten hielden afzonderlijke geboorteregisters bij. Maar voor Jan bleek zo'n registratie niet beschikbaar.
Toen hij volwassen werd, veranderde bovendien de administratie van de overheid. In 1811 was in Nederland de burgerlijke stand ingevoerd, waardoor geboorten, huwelijken en overlijdens voortaan volgens vaste regels moesten worden vastgelegd.
Voor iemand die vóór die invoering was geboren, kon dat problemen opleveren wanneer de noodzakelijke gegevens niet uit oudere kerkelijke registers konden worden aangetoond.
Jan zou daar in 1817 persoonlijk mee te maken krijgen.
Een huwelijk zonder geboorteakte
In het voorjaar van 1817 wilde Jan trouwen met Aaltje Folkerts, een dochter van Folkert Jakobs en Geertruid Alderts uit Saaksum.
Jan was op dat moment 27 jaar oud en werd in de documenten aangeduid als boerenknecht, woonachtig in Oldehove.
Voor het huwelijk moest hij zijn geboorte en afkomst officieel kunnen aantonen. Omdat een geboorte- of doopakte ontbrak, wendde hij zich tot de vrederechter van het kanton Zuidhorn.
Op 1 mei 1817 werd daar een zogenaamde akte van bekendheid opgesteld. Verschillende getuigen verschenen voor de rechter en verklaarden dat zij Jan persoonlijk kenden en wisten wie zijn ouders waren.
Onder hen bevond zich zijn vader, Jakob Berends Huizinga, die als landbouwer in Oldehove woonde.
Daarnaast traden verschillende bekenden op als getuige, onder wie een verver uit Niezijl, een dagloner uit Noordhorn, een koopman uit Niehove en een deurwaarder uit Zuidhorn. Ook Geertruid Alderts, de moeder van zijn aanstaande echtgenote, was aanwezig.
De getuigen verklaarden gezamenlijk dat Jan in juli 1789 in Oldehove was geboren als zoon van Jakob Berends Huizinga en diens inmiddels overleden vrouw Bieuwke Jans.
Het document is voor het familieonderzoek bijzonder waardevol. Niet alleen omdat het zijn afkomst bevestigt, maar ook omdat het laat zien welke mensen bereid waren persoonlijk voor hem in te staan.
De rechtbank geeft toestemming
Met de verklaring van de getuigen was de procedure nog niet afgerond.
Volgens de toenmalige wet moest de akte van bekendheid ook door de rechtbank worden bekrachtigd. Daarom werd het document voorgelegd aan de Rechtbank van Eerste Aanleg in Groningen.
Op 5 mei 1817 liet de officier bij de rechtbank weten geen bezwaar te hebben tegen het verzoek.
Vervolgens behandelde de rechtbank de zaak en stelde vast dat de akte volgens de wettelijke voorschriften was opgesteld.
Op 13 mei 1817 werd de verklaring officieel goedgekeurd. Een gewaarmerkt afschrift volgde op 20 mei.
Daarmee beschikte Jan over het bewijs dat nodig was om zijn huwelijk te kunnen sluiten.
Op 5 juni 1817 trouwde hij in Oldehove met Aaltje Folkerts.
Wat tegenwoordig misschien een omslachtige juridische procedure lijkt, was in die tijd een noodzakelijke manier om ontbrekende geboortegegevens alsnog officieel vast te stellen.
Voor mijn familieonderzoek is het bovendien een bijzondere vondst. Zonder dit document hadden we waarschijnlijk veel minder geweten over Jans geboorte, zijn ouders en de mensen uit zijn directe omgeving.
Een gezin in het Groninger boerenland
Na hun huwelijk bouwden Jan en Aaltje hun bestaan op in Oldehove, waar zij deel uitmaakten van de agrarische gemeenschap.
In latere documenten wordt Jan niet langer aangeduid als boerenknecht, maar als landbouwer. Ook Aaltje wordt in geboorteakten van hun kinderen als landbouwersche vermeld.
Het gezin groeide in de jaren daarna. In de burgerlijke stand vinden we onder meer de geboorte van hun zoon Folkert in 1821, dochter Aafke in 1825 en dochter Kunje in 1830.
Niet alle kinderen bereikten de volwassen leeftijd. Hun zoon Folkert, geboren op 23 september 1821, overleed op 23 januari 1825, slechts drie jaar oud.
In 1833 werd opnieuw een zoon geboren die de naam Folkert kreeg. Deze Folkert Huizinga werd later schuitevaarder in Ezinge en vormt een volgende generatie in mijn eigen familielijn.
De geboorte van deze jongste Folkert brengt ons bovendien bij een andere plaats. Hij werd op 18 september 1833 geboren in Ezinge, waar het gezin inmiddels terecht was gekomen.
Zo laat de familiegeschiedenis een beweging zien van Oldehove naar Ezinge, een ontwikkeling die ook in de daaropvolgende generaties zichtbaar blijft.
Een nalatenschap en een gerechtelijke verkoop
In augustus 1823 verschijnt de naam Jan Jakobs Huizinga in een uitgebreide aankondiging in de Groninger Courant.
Het bericht betreft een gerechtelijke verkoop van een huis met tuin aan de zuidzijde van de straat in Oldehove, destijds aangeduid met huisnummer 21.
De aanleiding lag in de afwikkeling van de nalatenschap van Geertruid Alderts, de moeder van Aaltje Folkerts.
Geertruid was eerder gehuwd geweest met Folkert Jakobs en later met Kornelis Drenth. Na haar overlijden traden haar kinderen en erfgenamen gezamenlijk op in een gerechtelijke procedure rond het betreffende onroerend goed.
Aaltje behoorde tot die erfgenamen. Omdat getrouwde vrouwen in die tijd bij dergelijke rechtshandelingen doorgaans door hun echtgenoot werden vertegenwoordigd of bijgestaan, wordt Jan eveneens in de aankondiging genoemd.
Daarnaast trad hij op als voogd van Bouke Folkerts, een minderjarige dochter van Geertruid.
Het krantenbericht bevat een lange opsomming van familieleden, hun woonplaatsen en de juridische stappen die voorafgingen aan de verkoop.
Daardoor vormt het een waardevolle bron voor het reconstrueren van familieverbanden.
Tegelijkertijd is voorzichtigheid geboden bij de interpretatie. Het ging om een gerechtelijke verkoop van een woning die in het bericht op naam van andere betrokkenen wordt genoemd. Uit deze aankondiging blijkt niet dat Jan zelf eigenaar van het huis was of persoonlijk in financiële problemen verkeerde.
Wat het document vooral zichtbaar maakt, is zijn betrokkenheid bij de afwikkeling van een familiebezit en de verantwoordelijkheid die hij daarbij voor zijn vrouw en een minderjarig familielid droeg.
I N N A A M d e s K O N I N G S .
VERKOOPING ter Rolle van Geregtelijke uitwinningen, bij de Regtbank van Eersten Aanleg, te Groningen:
Van eene BEHUIZINGE en TUIN, staande en gelegen te Oldehove, in het Arrondissement Groningen, Gemeente - Oldehove, Zuidzijde aan de straat, geteekend no. 21;
Gearresteerd als onroerend Goed, ten laste van GERRIT KLAASSENS HOEKSEMA, van beroep Daglooner, en JANTJE WIERTS MULLER, Ehelieden, wonende te Oldehove, als derde bezitters van gemeld Huis en Tuin.
Ten verzoeke van JACOB FOLKERS, Landbouwer, wonende onder Oldehove; ALDERT FOLKERS, Landbouwer, wonende te Kommerzijl; AALTJE FOLKERS, Vrouw van en ten dezen geautoriseerd en geadsisteerd door JAN JACOBS HUIZINGA, Landbouwer, wonende te Oldehove; DERK FOLKERS, zonder beroep, wonende te Saaxum; AAFKE FOLKERS, Vrouw van en ten dezen geautoriseerd en geadsisteerd door JAN JANS EMMELKAMP, Koopman, wonende te Saaxum; KUNJE FOLKERS, Vrouw van en ten dezen geauthoriseerd en geadsisteerd door KLAAS ABELS KOOI, Landbouwer, wonende te Saaxum, en JAN JACOBS HUIZINGA, Landbouwer, wonende te Oldehove, in zijne qualiteit ais Voogd over BOUKE FOLKERS, minderjarige Dochter, zonder beroep, zijnde allen Kinderen en Erfgenamen van wijlen GEERTRUID ALDERTS, Weduwe Folkert Jacobs, laatst gehuwd geweest aan KORNELIS DRENTH, en gewoond hebbende en overleden te Saaxum, en voor welke Requiranten als Procureur occupeert Mr. HERMAN de RANITZ, wonende te Groningen;
Bij Proces-Verbaal van den een-en-twintigsten Mei een duizend acht honderd drie-en-twintig, van hetwelk, denzelfden dag, Afschriften zijn ter hand gesteld aan den Heer D.H. de VRIES, Griffier bij het Vredesgeregt van het Canton Zuidhorn, en aan den Heer NIKEL HENDRIKS, Schout van de Gemeente Oldehove, hetwelk behoorlijk is geregistreerd, en op den zes-en-twintigsten Mei een duizend acht honderd drie-en-twintig ten Kantore van Hijpotheken te Groningen, en op den zevenden Junij daaraanvolgende ter Griffie van de Regtbank van Eersten Aanleg, zitting houdende te Groningen, is overgeschreven.
De eerste afkondiging der Memorie van Lasten heeft plaats gehad op Vrijdag den vijf-en-twintigsten Julij een duizend acht honderd drie-en-twintig , des voordemiddags te negen uren, ter Rolle van Geregtelijke uitwinningen, bij gemelde Regtbank.
De voorloopige Toeschatting zal plaats hebben op Vrijdag den vijfden September één-duizend acht-honderd drie-en-twintig, des voordemiddags te negen uren, ter Rolle voornoemd; zijnde het gearresteerde Goed gesteld op den prijs van vijf-en-twintig guldens.
Mr. H. de R A N I T Z,
Procureur.
bron: Groninger courant (26 augustus 1823)
Een opmerkelijke verkoop in 1831
Acht jaar later duikt zijn naam opnieuw op in de Groninger Courant.
Op 31 mei 1831 verscheen een aankondiging van een openbare verkoop die op 3 juni zou plaatsvinden, ditmaal ten huize van Jan Jakobs Huizinga, landbouwer onder Oldehove.
De goederen die zouden worden verkocht, geven een opmerkelijk gedetailleerd beeld van wat zich op een negentiende-eeuwse boerenplaats kon bevinden.
Het ging onder meer om een eikenhouten kabinet, een bureau, een gedeeltelijke kastklok, tafels, stoelen, porselein, glaswerk, koper en tin.
Daarnaast werden allerlei voorwerpen genoemd die bij een boerenbedrijf hoorden: een boterkarn, melktijnen, een ploeg, een eg en een boerenwagen.
Ook verschillende dieren maakten deel uit van de aangekondigde verkoop: twee zwarte merriepaarden, twee melkkoeien, een vaars, drie pinken en vier schapen.
Het is een inventaris die de agrarische leefwereld van die tijd bijna tastbaar maakt.
De verkoop werd echter uitdrukkelijk aangekondigd als een verkoop op rechterlijk gezag. Waarom deze plaatsvond en hoe de juridische en financiële omstandigheden precies waren, blijkt niet uit het korte krantenbericht.
Daarom kunnen we niet zonder aanvullend onderzoek vaststellen of Jan zelf de eigenaar van alle goederen was, waarom ze werden verkocht of welke gevolgen de verkoop voor zijn gezin had.
Toch is het bericht interessant. Het verbindt zijn naam aan een concrete plaats en aan een verzameling goederen die veel vertellen over het wonen en werken op het Groninger platteland.
VERKOOP op REGTERLIJK GEZAG.
Op VRIJDAG, den derden Junij 1831, des voormiddags te elf uren, zullen, door den ondergeteekende, DEURWAARDER, ten huize van JAN JACOBS HUIZINGA, Landbouwer, wonende onder Oldehove, voor contant geld, worden Verkocht: eene partij R O E R E N D E G O E D E R E N , bestaande in een EIKENHOUTEN KABINET, een dito BUREAU, eene halve KASTKLOK, STOELEN, TAFELS, PORSELEIN, GLAS en AARDEWERK, KOPER, TIN en VAATWERK, eene BOTERKERN, MELKTIJNEN, B O E R E N G E R E E D S C H A P P E N , waaronder een PLOEG, eene EIDE en een BOERENWAGEN, voorts twee ZWARTE MERRIEPAARDEN, twee MELKKOEIJEN, eene VAARS, drie PINKEN, vier SCHAPEN en hetgene verder zal gepresenteerd worden.
D. W I L K E N S , Tz. ,
D e u r w.
bron: Groninger courant (31 mei 1831)
Van het land naar het water
Opvallend is dat Jan in de verschillende documenten niet steeds met hetzelfde beroep wordt aangeduid.
In 1817 was hij boerenknecht. In de stukken uit 1823 en 1831 wordt hij landbouwer genoemd.
Maar wanneer zijn zoon Folkert in 1860 trouwt, worden Jan en Aaltje in de huwelijksakte aangeduid als respectievelijk veerschipper en veerschippersche.
Dat is een interessante ontwikkeling.
Het suggereert dat ook het vervoer over water een plaats in hun werkzame leven heeft ingenomen. In het Groninger landschap waren waterwegen immers lange tijd onmisbaar voor het vervoer van goederen en personen.
Vooral in de omgeving van Ezinge en het Reitdiep speelde de scheepvaart een belangrijke rol.
Of Jan zelf daadwerkelijk als veerschipper werkzaam was, wanneer hij daarmee begon en hoe dat zich verhield tot zijn eerdere werk als landbouwer, verdient nog nader onderzoek. De beroepsvermelding uit 1860 is immers van na zijn overlijden.
Toch vormt zij een interessante verbinding met de latere generaties Huizinga, waarin de scheepvaart en het beurtveer van Ezinge een herkenbare plaats kregen.
Een leven tussen twee generaties
Jan Jakobs Huizinga overleed in 1846 in Ezinge, waar zijn familie zich inmiddels had gevestigd.
Zijn leven viel samen met een periode waarin Nederland ingrijpend veranderde. Hij werd geboren vóór de Franse tijd, groeide op in een traditionele agrarische samenleving en kreeg als volwassene te maken met nieuwe wetgeving en een steeds uitgebreider overheidsapparaat.
De documenten die over hem bewaard zijn gebleven, laten iets van die veranderingen zien.
Zijn huwelijk vereiste een gerechtelijke verklaring omdat de gebruikelijke geboortegegevens ontbraken. Later vinden we hem terug in juridische stukken over een nalatenschap en een openbare verkoop. En in de gegevens van zijn kinderen zien we hoe het gezin zich ontwikkelde en uiteindelijk in Ezinge terechtkwam.
Het zijn geen grote gebeurtenissen uit de nationale geschiedenis. Maar voor iemand die probeert zijn familiegeschiedenis te reconstrueren, zijn het juist deze kleine vondsten die het verleden dichterbij brengen.
Dankzij de verklaringen van familieleden, de registraties van de overheid en enkele oude krantenberichten weten we inmiddels meer over Jan dan alleen zijn geboorte- en overlijdensjaar.
Zijn leven vormt bovendien een belangrijke schakel tussen de oudere Huizinga-generaties rond Maarhuizen en Oldehove en de latere familiegeschiedenis in Ezinge.
Juist in zulke documenten krijgt een naam uit de stamboom langzaam een eigen verhaal.
Bronnen en verantwoording
Dit levensverhaal is samengesteld uit genealogische gegevens, een gerechtelijk document uit 1817 en historische krantenpublicaties uit 1823 en 1831.
Gebruikte bronnen
-
Rechtbank van Eerste Aanleg Groningen, 1817. Akte van bekendheid van Jan Jakobs Huizinga, opgemaakt op 1 mei 1817 voor de vrederechter te Zuidhorn en door de rechtbank bekrachtigd op 13 mei 1817. De bewaard gebleven transcriptie vormt de basis voor de beschrijving van deze procedure.
-
AlleGroningers – Huwelijk Jan Jakobs Huizenga en Aaltje Folkerts, 5 juni 1817. Burgerlijke stand Oldehove, aktenummer 7.
-
Groninger Courant, 26 augustus 1823. Aankondiging van een gerechtelijke verkoop in Oldehove, waarbij Jan Jakobs Huizinga wordt vermeld als echtgenoot van Aaltje Folkerts en voogd van Bouke Folkerts.
-
Groninger Courant, 31 mei 1831. Aankondiging van een verkoop van roerende goederen op rechterlijk gezag, ten huize van Jan Jakobs Huizinga.
-
AlleGroningers – Huwelijk Folkert Huizinga en Trijntje Boerema, 1860. Met de beroepsvermeldingen van zijn ouders.
-
Stadsarchief Amsterdam – Lidmaten doopsgezinden, 1668–1829. Historische toelichting op de volwassenendoop en doopsgezinde registraties.
Verantwoording
De documenten geven inzicht in Jans afkomst, huwelijk, familieverbanden en werkzaamheden, maar beantwoorden niet alle vragen over zijn levensloop.
Vooral de reden van de gerechtelijke verkoop in 1831 en de precieze omstandigheden van zijn werkzaamheden als veerschipper zijn nog niet volledig vastgesteld.
De historische beschrijvingen zijn daarom gebaseerd op wat uit de documenten blijkt. Waar gegevens ontbreken of verschillende interpretaties mogelijk zijn, worden geen definitieve conclusies getrokken.
De oorspronkelijke transcripties en krantenpublicaties worden als afzonderlijke onderzoeksdocumenten bewaard, zodat zij ook bij toekomstige aanvullingen opnieuw kunnen worden geraadpleegd.