FAMILIELEDEN
Jan Henri Luttje en Jantje Lubbers
Een huwelijk in bewogen jaren, 1939–1947
Op 7 oktober 1939 trouwden Jan Henri Luttje en Jantje Lubbers in de gemeente Noorddijk. Jan, geboren in Loosduinen in 1914, was werkzaam als boekhandelaar. Jantje, afkomstig uit Noorddijk, had als kantoorbediende gewerkt. Het echtpaar vestigde zich in Euvelgunne, waar Jan zich bezighield met de boekenhandel en uitgeversactiviteiten. Op 11 oktober 1941 werd hun dochter Trijntje Henriëtte geboren. Ruim drie jaar later, op 11 januari 1945, volgde hun zoon Jan Evert.
Achter dit jonge gezin ging echter een huwelijk schuil waarin de verhoudingen ernstig verstoord waren geraakt. Dat blijkt uit een omvangrijk rechtbankdossier, waarvan de eerste stukken dateren van 11 april 1945, enkele dagen voor de bevrijding van Groningen. Jantje had zich tot de Arrondissementsrechtbank gewend met het verzoek een echtscheidingsprocedure te mogen beginnen. Ze beschuldigde haar echtgenoot van overspel en beschreef een ongelukkig huwelijk waarin volgens haar ook sprake was geweest van mishandeling en bedreiging. In haar verklaring maakte ze onder meer melding van een incident waarbij Jan haar met een mes zou hebben verwond. Het zijn ernstige beschuldigingen, maar het is belangrijk te beseffen dat deze passages haar verklaringen in een juridische procedure weergeven en niet zonder meer als afzonderlijk bewezen feiten kunnen worden beschouwd.
De situatie was inmiddels zo verslechterd dat Jantje de echtelijke woning in Euvelgunne had verlaten. Ze verbleef met haar kinderen bij haar ouders in Oosterhoogebrug, op het adres A 195. Daar woonde haar vader Evert Jan Lubbers. Op 25 april 1945 verleende de rechtbank Jantje toestemming om de echtscheidingsprocedure voort te zetten en gedurende de behandeling afzonderlijk te blijven wonen. De zorg voor de beide kinderen werd voorlopig aan haar toevertrouwd. Jan moest bovendien twintig gulden per week bijdragen aan hun levensonderhoud.
Ook Jan liet zijn kant van het verhaal bij de rechtbank horen. Vooral de opgelegde financiële verplichtingen vormden voor hem een probleem. Zijn inkomsten uit de boekenhandel waren volgens zijn verklaring tijdens de oorlog sterk teruggelopen. Hij vertelde dat hij zijn werkzaamheden had moeten onderbreken en dat zijn handelsvoorraad verloren was gegaan of niet meer beschikbaar was. Daardoor zou hij nauwelijks in staat zijn geweest zijn bedrijf opnieuw op te bouwen. In een verzoekschrift van mei 1945 stelde hij dat de wekelijkse bijdrage van twintig gulden zijn draagkracht ver te boven ging. Hij vroeg de rechtbank daarom het bedrag te verminderen. Uit de stukken ontstaat zo niet alleen een beeld van een mislukt huwelijk, maar ook van de moeilijke economische omstandigheden waarin het gezin aan het einde van de oorlog verkeerde.
Terwijl de juridische strijd voortduurde, werd het gezin opnieuw door verdriet getroffen. In januari 1946 overleed hun zoontje Jan Evert, slechts één jaar oud. De rechtbankstukken vertellen niets over de omstandigheden van zijn overlijden of over de gevolgen daarvan voor zijn ouders. Wel maakt deze gebeurtenis duidelijk waarom in de latere documenten uitsluitend nog hun dochter Trijntje Henriëtte wordt genoemd.
De echtscheidingsprocedure sleepte zich ondertussen voort. Pas op 21 februari 1947 sprak de Arrondissementsrechtbank in Groningen de echtscheiding uit, op grond van overspel door Jan Henri. Daarmee werd de belangrijkste beschuldiging uit Jantjes oorspronkelijke verzoekschrift door de rechtbank als grond voor de ontbinding van het huwelijk aanvaard. Jantje had inmiddels afgezien van haar eigen aanspraak op levensonderhoud, maar de verdeling van de gezamenlijke bezittingen en de voorzieningen voor hun dochter moesten nog worden geregeld. Op 17 juni 1947 werd het echtscheidingsvonnis officieel ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van Noorddijk. Daarmee kwam na bijna acht huwelijksjaren definitief een einde aan hun huwelijk.
De scheiding betekende echter niet dat alle geschillen waren opgelost. Op 21 juni 1947 vond een familieverhoor plaats, waarbij niet alleen de beide ouders, maar ook grootouders van weerszijden werden betrokken. De vraag was wie de voogdij over Trijntje Henriëtte zou krijgen en wie als toeziend voogd zou worden aangewezen. De familieleden brachten ieder hun eigen opvattingen naar voren. Vooral de toekomst van het jonge meisje stond daarbij centraal. Op 25 juni besliste de rechtbank dat Jantje de voogdij kreeg en Jan Henri als toeziend voogd zou optreden. Daarmee werd de bestaande situatie, waarin Trijntje bij haar moeder verbleef, juridisch vastgelegd.
Later dat jaar ontstond opnieuw een geschil over de financiële verantwoordelijkheid voor hun dochter. De Voogdijraad in Groningen stelde dat Jan onvoldoende bijdroeg aan haar onderhoud en opvoeding en verzocht de rechtbank hem een wekelijkse bijdrage van vijf gulden op te leggen. Jan verzette zich tegen dit bedrag. Volgens zijn eigen opgave verdiende hij met zijn boekenhandel nog maar ongeveer twaalf gulden per week, waarvan vier gulden opging aan huishuur. Bovendien had hij aanzienlijke schulden bij verschillende uitgevers en leveranciers. Hij wees erop dat Jantje inmiddels als buffetjuffrouw werkte en daardoor zelf inkomsten had. Ook over haar verdiensten liepen de verklaringen uiteen.
Op 20 december 1947 volgde de laatste rechterlijke beslissing die in dit dossier is terug te vinden. De rechtbank bepaalde dat Jan Henri voortaan 3,50 gulden per week moest betalen voor het levensonderhoud van zijn dochter, met terugwerkende kracht vanaf 5 maart 1947. Daarmee kwam een einde aan deze reeks procedures, die zich over bijna drie jaar had uitgestrekt.
Wat begon als een huwelijk tussen een jonge boekhandelaar en een vrouw uit een Groningse timmermansfamilie, eindigde in een langdurige juridische strijd. De bewaard gebleven documenten vertellen over onderlinge verwijten, financiële zorgen, een verbroken gezinsleven en de moeizame regelingen die na de scheiding noodzakelijk waren. Tegelijkertijd laten ze zien hoe nauw de gebeurtenissen verweven waren met de laatste oorlogsjaren en de moeilijke periode die daarop volgde.
Voor mijn familieonderzoek zijn deze rechtbankstukken bijzonder waardevol. Mijn grootvader Jan Henri Luttje is voor mij lange tijd een grotendeels onbekende figuur gebleven. Door dit dossier krijgt zijn leven, evenals dat van mijn grootmoeder Jantje Lubbers, meer vorm. Niet omdat de documenten een volledig of onpartijdig beeld geven van wat zich tussen hen heeft afgespeeld, maar omdat ze gebeurtenissen vastleggen die anders misschien voorgoed onbekend waren gebleven.
Uiteindelijk vertellen de stukken vooral hoe twee mensen ieder vanuit hun eigen positie een uitweg zochten uit een huwelijk dat niet langer standhield. Wat zich achter de voordeur werkelijk allemaal heeft afgespeeld, blijft voor een deel onbekend. De rechtbank kon een huwelijk ontbinden en afspraken vastleggen, maar daarmee werd niet noodzakelijk het hele verhaal verteld.
Bron: echtscheidingsdossier Luttje–Lubbers, Arrondissementsrechtbank Groningen, 1945–1947, 23 pagina's.